door Chantal Breukers
Al tekenend zoekt Jans Muskee naar een betekenisvolle verhouding tot de wereld om hem heen. Hij kijkt, en zijn kijken is tekenen. Hij laat de wereld binnen via zijn kunst.
Zijn materiaal is oliepastel, een heel fysiek materiaal, letterlijk en figuurlijk. Hij heeft het kort in de hand, er zit niets tussen hemzelf en het papier. De krijtjes vragen veel tijd, aandacht, inspanning en geduld. Jans accepteert de tegenwind van het weerbarstige materiaal. Het is zelfs beter dat het niet te snel, niet ‘als vanzelf’ gaat; hijzelf heeft namelijk tijd nodig om in het werk te kunnen geloven. Zo sijpelen zijn tekeningen de werkelijkheid in, als loepzuivere ensceneringen van een ingebeelde realiteit.
Een goede reden om kunst te maken is nieuwsgierigheid, omdat je jezelf wilt kennen. Jezelf kennen is een proces van verandering. Misschien is dat de reden waarom het werk van Jans in de loop der jaren zo is veranderd; van inhoud, niet van vorm.
Eerder werk van hem was net zo hecht en compromisloos, maar abstract. Op de Rijksacademie ontstonden composities -nadrukkelijk zonder titel- waarin hij reeksen van kleurvlakken in relatie met andere kleurvlakken onderzocht. Ook destijds ging het steeds om tweetallen, toen nog in letterlijke zin.

Hoe figuratief inmiddels ook, zijn werken gaan onveranderd over compositie, kleur, licht en ruimte, zo helder mogelijk. Er zijn genoeg redenen te bedenken waarom een overgang kan ontstaan van abstract naar figuratief. In het licht van Jans zijn werk vat Neo Rauch die motivatie wel toepasselijk samen: ‘… Figuratieve schilderkunst heeft een hogere moeilijkheidsgraad. Je kunt minder uitrekenen, er kan meer fout gaan. Daarbij is het ook bevredigender. Als je ’s avonds thuis komt is het leuker te zeggen dat je vader bent geworden van een mooie vrouw in een rood rokje, dan van een blauwe driehoek.’
‘Daan en Diana’ konden net op tijd nog terecht in dit boek.

Het is zijn meest recente kleine werk wat het best zijn waardering voor abstractie laat zien. Het is een ode aan de begin dit jaar overleden Daan van Golden, een kunstenaar die het uiterste moment zocht waarop vorm en inhoud elkaar raken. Die de banale logica van een zakdoek wist in te zetten binnen de logica van de streng geometrische abstracte kunst. Als geen ander bewees Van Golden dat elk ding, hoe triviaal ook, een autonoom fenomeen kan zijn.

Precies dat moet voor Jans een jaloersmakende beeldende bevrijding zijn geweest. Het tijdloze kan zomaar in een zakdoek zitten, dat is troost die er toe doet. Dat Jans op zijn beurt daar weer het lichaam achter laat schuilen is net zo raak als ontroerend.
Sommige werken van Jans Muskee heb ik in fases van maken toegestuurd gekregen, waardoor ik nog beter kon zien dat er tussen beeld en beeldmiddelen een onontkoombare spanning zit; ze dikken elkaar aan. Zo ook in de grote tekening ‘An early sunday morning’

een studentenhuis tafereel bijna als een genrestuk zoals we dat kennen van de Gouden Eeuw. Met minder details maar verder met eenzelfde grote aandacht voor de handeling, voor het binnenvallend ochtendlicht, de stofuitdrukking, de heldere opbouw, de perspectivische ruimtes. Het werk van Jans hoort meer bij de oude meesters dan bij de modernen die de kunst sinds 1880 hebben gedicteerd in de richting van ‘ceci n’est pas une femme…’. Nou, dit is weldegelijk een vrouw, drie zelfs. Meisjes van het jaarlijkse studentengala die gezellig zijn blijven slapen. Maar zoals vaker in de werken van Jans zit er iets verontrustends in het beeld. De meisjes lijken onderling niets met elkaar te maken te hebben, dat geeft de scene iets bedenkelijks. Niemand trekt zich iets van de ander aan, de jongens zíjn al uitgespeeld, de meisjes lijken opgesloten in eigen gedachten of in stille triomf. Alles wordt glashelder getoond, behalve wat er nu eigenlijk gebeurt, of gebeurd is. Je staat erbij en je kijkt ernaar, de afstand is voelbaar; Jans tekent de lading van die afstand.
Een andere grote tekening, ‘Stay tuned or live’

heeft als titel een tekst die toevallig op het t-shirt stond; Jans pakt graag op wat al gegeven is.
In één tekening twee koppels die zich niet met elkaar verhouden; het linker stel in de schaduw, het rechter in de stralende zon. Je zou in de rondlopende heg achterlangs een omarming van beide stellen kunnen zien. Maar de blauwe lucht die het fijnstoffelijke gebladerte in tweeën deelt levert een centrale leegte en werkt bovendien als een pijl die de scheiding tussen de stellen weer benadrukt. De aarzelende besluiteloze houding van het oudere stel links is in contrast met het onbekommerd ijsje eten van het jonge stel in de zon. Het jonge koppel lijkt een spel met slipjes helemaal niet nodig te hebben, het likken aan een ijsje zinnebeeldt eenvoudig genot: de luxe van de jeugd. Zij kunnen zich een nonchalance permitteren die er jaloersmakend losjes uitziet. Dan de gespannen oogopslag van de in het gras zittende vrouw die uitnodigend haar slipje reikt aan een man die niet lijkt te weten wat hij daarmee aan moet. Besluiteloos hangt zijn arm slap naast zijn lichaam. Opeens wordt het argeloze likken aan een ijsje bijna uitdagender dan het aanbieden van een slipje; het jonge lichaam is onschuldig, er hoeft nog niets in toom gehouden.
De kleine tekeningen (30x20cm) zijn verwijzingen naar naar sluimerend genot.

Het lichaam als trompe-l’oeil, nergens blinde lust, nergens zwoegende intimiteit. Die mag de beschouwer zelf invullen, een uitnodiging die wat ongemakkelijk maakt. Als vanzelf begin je te mompelen hoe fijn dat blauwe lijntje getekend is, hoe echt die schaduw valt en hoe mooi dat groen is. Er is niets wat het daglicht niet verdragen kan. Ik kom nog wat dichterbij, en opeens denk ik te weten waarom Jans dit werk maakt. Hij is nieuwsgierig naar het moment waarop een beeld opwindend wordt. Hij is nog steeds de schooljongen die begreep waarom zijn moeder ‘De Lach’ verstopte.
Een borst is een borst is een borst, de een wat meer in bloei dan de andere. De aanbidding van de borsten is al zo oud als de mens kleien kan, Jans is niet de eerste die hier het zijne over kwijt wil. Wat wil hij hier eigenlijk laten zien?
Was ik nu maar een man, dan zou ik onbevangener kritisch kunnen zijn over deze kleine werken. Nu zal mij jaloezie verweten worden, en misschien is dat ook zo, maar er zit iets tegenstrijdigs in deze close-ups van fluweelzachte vrouwenborsten. Ze belichamen het cliché van de mannelijke blik, die zijn adoratie weigert te offeren aan de nuchtere werkelijkheid. Deze kleine werken van vooral borsten verleiden tot kijken. De krappe uitsnede nodigt niet uit tot nieuwsgierigheid naar de rest van het lichaam; dit detail volstaat. Het is een fetisj. Je raakt in de ban van de zachte helderheid en de bijna decadente verfijning van een uitdagende tepel in de schaduw van een openstaand bloesje. Ze zijn zo mooi dat er prompt weer kuisheid ontstaat; er wordt weinig tegen de verheerlijking ingebracht.
Misschien is ‘die mannelijke blik’ een dooddoener, toch ga ik nog even door: als god de vrouw geschapen heeft, dan heeft de kunstenaar de muze geschapen; het wezen dat hem mannelijk maakt. Naast de alledaagse vrouw is er de vrouw om van te dromen, om op papier vorm te geven. Niet haar lichaam windt hem op maar zijn krijt, de mogelijkheid dat hij haar kan tekenen, kan maken. Niet haar geur, maar de geur van verf of oliepastel daagt hem uit; hij wil niet beminnen wat hij heeft, maar wat hij kan.

Jans speelt regelmatig een rol in zijn werk, niet in eigen persoon maar als personage. Als hij schrijver was geworden dan misschien van romannetjes uit de Bouquetreeks, onder een vrouwelijk pseudoniem. Het is alleen de vraag of ze altijd in een happy end zouden eindigen. Het ‘liefdesromannetje’, waar de klassieke strijd over echt en onecht helemaal niet gevoerd wordt, waar men blijmoedig genoegen neemt met net-echt. Dit sluit aan bij Jans die er niet op uit is dingen diepzinniger te maken dan nodig is. De Vinkenstraat

levert al een wereld vol ‘existentiële’ eenzaamheid en spannende erotiek, daar heb je Freud of Sartre helemaal niet voor nodig. De personages van Houellebecq, Paul Auster en zelfs Witold Gombrowicz doen meer uit verveling dan uit interesse. Dat kun je van Jane en Luuk uit ‘De weg naar geluk’ niet zeggen. Zo’n liefdesromannetje is een compacte wereld op zichzelf, een klein theater van het nu, van dit moment. Hij voelt zich er van huis uit mee verwant; met ontroering die zonder omweg binnen komt. Ondertussen heeft hijzelf vele omwegen gelopen en herleest hij (bovengenoemde) favoriete schrijvers uit zijn overvolle boekenkast, steeds opnieuw.

Ik denk dat daar ook de inspiratie voor de middelgrote tekeningen schuilt (50 x 35cm)
met taferelen uit huis en tuin van een gemiddelde vinex-woning. Het getuigt van lef en talent om binnen die realiteit op zoek te gaan naar intieme, fysieke handelingen zonder te vervallen in cynisme of flauwe stereotypie. En, misschien nog wel knapper, zonder de scene tot iets buitengewoons te verheffen. Nergens een dramatische draai of platte overdrijving, maar ook nergens argeloze liefde. Want we zijn de situatie niet helemaal meester. Het gaat om de huivering, steeds weer opnieuw, hoe breng je die teweeg en hoe bied je weerstand. Komen daar de maskers vandaan? Met een masker houd je jezelf op afstand, ben je half werkelijk half fantasie, aanwezig en afwezig tegelijk. Er komt een erectie uit een broek maar de geliefden dragen een masker. De personages van de middelgrote tekeningen doen niets voor niets; hartstocht wordt geregisseerd. Erectie of niet, de personages tonen zich nooit bewogen, lijken een rol te spelen. Je komt de ander kennelijk niet spontaan tegen, het is vooral oefenen en voorstellen doen. Tegelijk zijn de scenes momenten van ons menselijk proberen: Absoluut Misschien.
Want het valt ook niet mee. Zij heeft net haar schoonmoeder drie uur aan moeten horen, hij gaat nu naar een muziekoptreden van het jongste kind, zij loopt, terug van de Jumbo in de poort toevallig de buurman tegen het lijf die net de auto wilde wassen, maar, dat kan ook best volgende week.
Misschien kan het niet anders, wil Jans niet anders, en gaat het om de verbeelding van de liefde en niet om de werkelijkheid van de liefde. Die valt niet te tekenen, verliest in de broeierige omhelzing haar vorm. En dat is niet wat Jans wil, de vorm verliezen. Zo kom ik bij wat de middelgrote tekeningen goed maakt: nergens wordt het overdreven of vals, er gaat een ontroerende ernst schuil achter de verkleedpartij. Bovendien, wat een triomf om een bres te kunnen slaan in de manshoge ikea-schutting! Zonder schutting valt de reikwijdte van onze seksuele fantasie niet te meten.
In ‘Hallo Jumbo’,

speelt de tong en het likken een rol zoals we dat kennen van Pierre Klossowski, waar
Jans het kozend likken vandaan heeft.
Klossowski, ‘Les barres paralleles’, 1976
Klossowski verbeeldt wel vaker minder gangbare liefdesuitingen, zoals hier die mysterieuze mengeling van een vrouw vastbinden en vereren tegelijk. Ondertussen likt de poes onverstoorbaar met haar tong haar poot schoon. Zij levert de driehoeks-compositie waardoor het zoenende stel nog meer de hoofdrol krijgt, recht onder de gewelfde bakstenen boog. Maar ‘Hallo Jumbo’ is ook een prachtige vertaling van de foto ‘Mimic’ van Jeff Wall die al heel lang bij Jans klaar lag voor een nabootsing, een mimic.

Het gaat in deze foto om een man die in de rug wordt bespot door een net zo impulsief maar veel botter gebaar. Een andere overeenkomst is de laagstaande zon die lange schaduwen werpt, als extra spelers in de compositie. Net als Jeff Wall is ook Jans zo gebrand op de vorm dat een personage eenzelfde aandacht kan krijgen als een jumbo-tas, en er juist daardoor een niet nader toegelichte saamhorigheid ontstaat. Alles wordt maximaal betekenisvol, een huisnummer net zozeer als de vouwnaad in een broek, een toevallige hortensia net als de noppen van een jurk.

met opnieuw 2x twee mensen die nauwelijks iets met elkaar te maken lijken te hebben. Het staande stel zouden de vertellers van het verhaal kunnen zijn, een raadselachtig verhaal in een minstens zo cryptische ruimte. Wie woont hier, wat doen die aristocratische vazen daar als poortwachters van de scene, en wat betekent die donkere leegte die meer dan de helft van het hele vlak beheerst en het werk in een voorgrond en een achtergrond verdeelt? Beetje zoals bij ‘Olympia’ van Manet,

een kunstenaar die Jans bewondert om zijn heldere composities, het brutale gemak waarop hij met zwart omgaat en om de alledaagse thema’s die voor zich moeten spreken.
Maar veel directer is ‘De Voorzegger’ geïnspireerd op ‘De dochters van Darley Boit’, een schilderij uit 1882 van John Singer Sargent,

waar de leegte wordt benadrukt door de houding en onderlinge afstand van de meisjes, maar ook door het ruime aandeel onverbloemd zwart, naast oogverblindend wit. Hier zie je hoe olieverf letterlijk in staat is tot ‘oplichten’ terwijl wit oliepastel meer in de om- en onderliggende kleuren verdwijnt zodat het altijd wat omfloerst raakt.
Op de voorgrond is een jonge man te zien die behulpzaam sjort aan de spijkerbroek van een hoogzwangere vrouw.


Het is een detail uit een al jaren door Jans bewonderd schilderij van Tintoretto, ‘De voetwassing’ uit 1549, dat inmiddels kromgetrokken boven de lichtknop in zijn huiskamer hangt. Tintoretto, die niks mooier maakt dan het is, de verf zonder pathos zijn werk laat doen. ‘De voetwassing’ is bijna een stripverhaal, met veel extra ruimtes en met de hond als centraal element, of misschien wel als de voorzegger.
In ‘Rearragement with swimming pool’

staan we opeens in een kamer waar we misschien even hadden moeten kloppen.
Toch zijn er veel verzachtende omstandigheden die de schrik van tong + vagina weghalen en doen keren in een geruststellend intiem moment. De stroopwafels, de onschuldige Maria van Jan Knap aan de muur, een huiselijke kussentje voor de knieën. Nergens wordt het provocatie, haar gastvrije rok is de gewoonste zaak van de wereld. Het onderlichaam van de man vloeit moeiteloos over in het bovenlichaam van de vrouw. Je hebt een vermoeden waar hij naar op zoek is, aan haar kun je zien dat het zover nog niet is. Berustend heeft zij de handen op haar benen, zoals de moeder van Whistler, al in 1871.

Ook al gebeurt er meer in de tekening van Jans, zijn ‘Rearrangement’ verraadt dat hij Whistler bewondert, vermoedelijk om diens beheersing; dat de eenzame berusting van een oude vrouw kan worden uitgedrukt in louter grijstonen.
Ook Jans bewijst dat de werkwijze het verhaal is; dat de structuur, de opbouw, kleur, ritme, compositie het verhaal insluiten. Want een vertelling kent vooral halve waarheden, maar het krijt is in zijn handen meedogenloos precies. Met het vettige materiaal krijgt het verhaal substantie, het krijt maakt de illusie concreet.
In alle werken van Jans zijn steeds tweetallen te zien, of 2x tweetallen die zich per koppel met elkaar verhouden. We hebben elkaar nodig, ons wankele zelfbeeld lijkt door de ander gestut. Hoewel het huwelijk voor die veiligheid geen garantie is. IJsberend loopt Robert Stevenson van John Singer Sargent door de vertrouwde echtelijke woonkamer.


We zijn ons lichaam maar we kennen het niet. Het zit ons te dicht op de huid. Het verontrust Marcel dat hem iets is overkomen (waarvan hij niettemin vermoedt dat het bij hem past) als gevolg van lust en nieuwsgierigheid. Het andere lichaam, van een jonge vrouw blakend van bijna lui zelfbewustzijn, lijkt dan weer toegankelijk dan weer verscheurend vreemd. Houvast wordt conflict. Hij is in verwarring omdat hij nog bij haar is, en zij allang weer voor zichzelf bestaat. In zijn hand houdt hij een onbeschreven vel papier… als de wijsheid in het lichaam is (Nietzsche) wat moet je dan met al je denken?
Er zit speling tussen de werkelijkheid en de droom. We hebben de mens groot gedacht, hem op een sokkel gehesen, genialiteit toebedeeld, en nu zitten we met de gebakken peren. Blijken we toch, keer op keer, heel normaal te zijn. En juist om ons gewone stervelingen gaat het in Jans zijn kunst. Zegevierend in onze alledaagse eenvoud, eenzaam desnoods, onvolmaakt welzeker, levend op de tast en toch groots in juist die eenvoud. Beminnen of niet beminnen, dat is de vraag. Het antwoord zit in het leven zelf, zo lijken de werken van Jans Muskee te zeggen.
Door Chantal Breukers.
Uit het boek bij de tentoonstelling Absoluut Misschien in het Drents Museum in Assen, 2017
ISBN 9789462582125, Uitgeverij WBOOKS